Zomaar een dag in een Utrechts verpleeghuis. Doordat het belsysteemniet goed werkt, komt de zuster te laat bij mevrouw Jansen. De geur diehaar bij het openen van de deur tegemoet komt, maakt dat ze eigenlijkgelijk weer om wil draaien.
Ze vindt mevrouw in de badkamer, zittend op de wc, haar broek vanonder tot boven besmeurd, op de vloer een bruin spoor. Handschoenenaan, schone kleren pakken, wc-verfrisser, bleekmiddel en aan de slag.
Midden in de grote schoonmaak zegt mevrouw: „Van mij hoeft het zo niet meer, ik ben liever dood.”
„Ach, dat moet u niet zeggen”, reageert de zuster luchtig, terwijlze de luier weggooit en de vloer schoonboent. „Wij zijn toch blij metu.”
Als mevrouw weer schone kleren aan heeft moet ze gauw naar de eetkamer gebracht. Het is etenstijd.
Hoe moet een verpleegkundige omgaan met zulke existentiële vragen van een patiënt?
„Vaak gebeurt er niets mee”, zegt René van Leeuwen (1956), docent aan de Christelijke Hogeschool Ede.Hij promoveert 13 februari in Groningen op dit onderwerp. In zo’ngeval, zegt de gezondheidswetenschapper, „kan de zuster er later opterugkomen, met het team overleggen of contact opnemen met eengeestelijk verzorger.”
In het ’Beroepsprofiel van deverpleegkundige’, uitgangspunt voor iedere verpleegkundige, staat: ’Deverpleegkundige gaat uit van een mensbeeld waarin de onderlingewisselwerking van en een samenvattende visie op alle aspecten endimensies van het menszijn sterk benadrukt worden. Het gaat daarbij omlichamelijke, psychische, sociale en spirituele aspecten en dimensies.’
Een holistische zorg dus. Toch blijkt het in de praktijk erg van deverpleegkundige af te hangen hoe holistisch die zorg is. Van Leeuwen:„Eigen ervaring is van grote invloed op de zorg. Een verpleegkundigevertelde mij dat ze na het overlijden van haar eigen vader heel andersis gaan verplegen, omdat ze veel beter snapte wat er bij mensenspeelde.”
Ook blijkt dat mensen met een sterke eigen religiositeit hier meer aandacht aan besteden in de zorg.
Verpleegkundigengelden als drukke mensen. Het tijdstekort in de zorg is berucht, met depyjamadagen en mensen die veel te lang op de wc vast zitten. Moetenverpleegkundigen dan ook nog eens alles afweten van spiritualiteit,niets minder dan de zin van het leven?
Het is volgens Van Leeuwen niet de bedoeling dat de verpleegkundigeeen spirituele professional wordt, daar zijn nog altijd de geestelijkverzorgers voor. Maar bij een geestelijk verzorger kom je vaak alleenmet hele specifieke vragen terecht. Ook is er een hele groep mensen diebij een geestelijk verzorger gelijk denkt dat ze dood gaat.
„Daarom is het belangrijk dat een verpleegkundige gevoeligheidontwikkelt voor de thema’s die bij een patiënt kunnen spelen.Verpleegkundigen zijn vaak het eerste contact met de patiënt en kunnenhet beste signaleren welke behoeftes er spelen.”
Het zijn onderwerpen die in de alledaagse zorg naar voren komen. Ze zijn vaak een direct gevolg van de ziekte. ’Trage vragen’,zoals een diensthoofd verpleging het noemt: vragen die tijd nodighebben om naar binnen te sijpelen, die tijd nodig hebben om bewustwakker te worden, en nog meer tijd vragen om er voor onszelf eenantwoord op te vinden.
Stel: er komt een jongeman opcardiologie binnen na een hartinfarct, de laptop bij wijze van sprekennog op zijn schoot, mobiel aan het oor. Hij is in de bloei van zijnleven en geeft alles om zijn werk. Als verpleegkundige moet je je danbewust zijn van de vragen die hem bezighouden, vindt Van Leeuwen. Dejongeman zal zich zorgen maken over de toekomst, die voor hem een grootzwart gat is als hij niet meer kan werken.
Wat is de zin van zijn leven? In de opleiding zullenverpleegkundigen hier de competenties voor moeten meekrijgen. „Daar kunje verpleegkundigen bewust maken van de thema’s die bij patiëntenkunnen spelen als gevolg van hun ziekte. Ook communicatievaardighedenzijn heel belangrijk. De een zal zelf een gesprek aangaan, de anderdoorverwijzen”, aldus Van Leeuwen.
Systematische aandacht voorspiritualiteit in de opleiding kan volgens Van Leeuwen helpen omspiritualiteit een duidelijkere plek in zorg te geven. Op deChristelijke Hogeschool Ede is als onderdeel van het onderzoek van VanLeeuwen drie jaar geleden een module ’Verpleegkundige zorg en spiritualiteit’ gestart. Leerlingen kregeneen casus of moesten in de praktijk oefenen met bewustwording encommunicatie. „Opvallend was dat de leerlingen niet terug kwamen met devragen van de patiënt, maar met hun eigen vragen. Bijvoorbeeld: mag ikiemand uit de Koran voorlezen als dat in strijd is met mijn geloof? Hoekan iemand geloven dat haar overleden kleinkind niet bij God is?”
Spirituele zorg betekent een confrontatie met je eigenspiritualiteit. Die is bij de leerlingen in Ede sterk christelijkgekleurd. „Daarom moet je het in de opleiding inbouwen. Dan kunnen zedaar eerst mee aan de slag, zodat ze later beter zien welke vragen depatiënt heeft.”
Blijft het probleem van de tijd. Die kun je maken, vindt VanLeeuwen. „Een patiënt had te horen gekregen dat de chemokuren niet meeraan slaan. Ze was in alle staten. Van de verpleegkundigen die met zijntweeën avonddienst hadden, gaf er een haar pieper af en is bij depatiënt gaan zitten.” Oftewel: als je wilt dan kan het.
Maar het ligt natuurlijk ook aan de werkcultuur. „Je pieper zomaarafgeven doe je niet als je net begonnen bent, dan krijg je de volgendedag op je kop. Als je net van je opleiding komt pas je je eerst aan aande praktijk. Pas later durf je daar van los te komen en de zorg tegeven die je eigenlijk wilt.”
Om deze belemmering in de praktijk tegen te gaan zou eenverpleegkundige afdeling moeten bedenken welk visie ze daar hebben opspirituele zorg, vindt Van Leeuwen. „Nu heerst er vaak een taboe op hetonderwerp, of er wordt gewoon niet over gepraat.”
Uit een groepsgesprek dat Van Leeuwen op een afdeling hield bleekdat er veel schroom heerst om over het onderwerp te praten. „Eenverpleegkundige was ’s nachts bij een patiënt gaan zitten die niet konslapen. Gaandeweg het gesprek bleken beide christelijk te zijn.
De patiënt vroeg de verpleegkundige om samen te bidden, vijf minutenlater sliep ze. Het kostte de verpleegkundige veel moeite dit voorbeeldte vertellen aan collega’s, maar daarna kwam er een levendig gesprekover het geloof. Een dergelijk gesprek hadden ze nog nooit gehad.”
Van Leeuwen snijdt met zijn proefschrifteen onderwerp aan dat in het buitenland al veel wetenschappelijkeaandacht heeft, die heeft geleid tot ’min of meer algemene’ erkenningvan de rol van verpleging in spirituele zorg.
Hoe dit echter in de praktijk vorm moet krijgen is zowel inNederland als in het buitenland nog een onontgonnen gebied. Met denadruk op onderwijs daarin zet René van Leeuwen een eerste stap op ditterrein.
Word je gezonder van spiritualiteit aan bed?
Over de vraag of geestelijke zorg direct van invloed is op delichamelijke gezondheid bestaat in de wetenschappelijke wereld nog geenconsensus.
Johan Bouwer, hoogleraar Geestelijke Verzorging in Kampen: „Invloedvan geestelijke zorg op lichamelijke gezondheid is empirisch moeilijkte bewijzen.
Wel is uit onderzoek de enorme waardering van patiënten geblekenvoor een bezoek van de geestelijk verzorger. Deze waardering wijst eropdat er iets positiefs gebeurt op geestelijk niveau.” Met anderewoorden: geestelijke verzorging draagt in ieder geval bij aan hetalgehele welbevinden van een patiënt.
Een proefproject in het Ikazia-ziekenhuis in Rotterdam wijst hierook op. In het voorjaar van 2007 werd daar op vier afdelingen de cursus’Spiritualiteit en zorg voor verpleegkundigen’ gehouden, waar in totaalzo’n vijftig verpleegkundigen aan deelnamen. Jan Piet Vlasblom,geestelijk verzorger en coördinator van de cursus, doetpromotieonderzoek naar de effecten van deze cursus bij verpleegkundigenen patiënten.
„De verpleegkundigen, die aanvankelijk vaak scepsis hadden, blekenna afloop van de cursus meer lol in het werk te hebben. Ook depatiënten voelden zich na de nieuwe zorg beter. Meest opvallenderesultaat was het significant afgenomen ziekteverzuim op de vierafdelingen.”
Het Ikazia-ziekenhuis wil nu elk jaar trainingen Spiritualiteit gaan geven aan verpleegkundigen.
Lees hier het infomagazine van het Ikazia-ziekenhuis
Lees hier de samenvatting van het proefschrift van Van Leeuwen